








Dudoks eerste ontwerptekeningen van het 19e gemeentelijke woningbouwcomplex dateren van begin 1946. De 60 woningen moesten komen op het terrein tussen de Kamerlingh Onnesweg, Daltonstraat, Röntgenstraat, Weberstraat en Van Musschenbroekstraat. Zo kort na de oorlog kwam de wederopbouw langzaam op gang. Er was schaarste aan van alles, vooral bouwmaterialen. Dat is goed zichtbaar aan de soberheid waarmee dit woningcomplex is uitgevoerd. Ook de bouw duurde daardoor lang, de laatste woningen werden pas in 1949 opgeleverd. Maar er werd destijds wel vakkundig gebouwd, als je ziet hoe goed de wijk er 70 jaren na de bouw nog steeds bijstaat.
Ondanks de noodzakelijke soberheid, hield Dudok vast aan een aantal uitgangspunten die zijn woningbouw van voor de oorlog kenmerkte. Boven de voordeuren en de voor Dudok zo kenmerkende rechte betonnen luifel kwam een klein rond raampje, dat de bouwmeester meestal in de voordeur schetste, niet erboven. Aan het eind van een aantal woonblokken plaatste Dudok een hoger pand dat de horizontale lijn van de straat doorbreekt; eveneens een handelsmerk van de architect.
In het tijdschrift De Woningbouwvereniging van juli-augustus 1948 besprak J.A.G. Schuurman, adjunct-directeur Publieke Werken van de gemeente, het complex. Op dat moment waren 55 woningen van de 60 gereed. Alle woningen waren op de zon georiënteerd. Bijzonder was dat de woningen waren uitgerust met een doucheruimte met lavet. Volgens Schuurman was het mogelijk “in deze kom de kleine was te doen, zittend op het blad, in de kom voeten en benen te wassen, er in staande een douche te nemen en […] om de baby er in te wassen.” Omdat geisers nog niet verkrijgbaar waren, zouden deze pas later worden geplaatst. De ‘holle baksteenvloeren’ voldeden volgens Schuurman uitstekend, mits de bewoners de vloeren niet zouden schrobben of nat afnemen. In tegenstelling tot de vooroorlogse woningenbouw werden tussen de woningen twee groenstroken geprojecteerd, die als gemeenschappelijk speelterrein konden dienen. In eerste instantie werd er een als proef aangelegd, en trachtte de gemeente het beheer ervan aan de bewoners over te dragen. Een van deze groenstroken, inmiddels omgedoopt tot ‘Dudokpleintje’ zorgt nu voor een groene strook tussen de door schuttingen en stenen schuurtjes afgeschermde woningen.

Bij de woningen op de Ant Fokkerweg zijn er twee a nummers (14a en 22a) omdat er oorspronkelijk 6 woningen gepland waren. Er werden er 8 gebouwd waardoor de indeling bijzonder ongelukkig is uitgevallen (voorbeeld door de badkamer naar de 3e slaapkamer ) In hoeverre zou Dudok nog grip op deze ontwikkeling hebben gehad?