The Oral History of Modern Architecture
In 1961 werd Dudok door de Amerikaanse architect en schrijver John Peter geïnterviewd voor zijn boek The Oral History of Modern Architecture, dat pas in 1994 verscheen. Voor dit langlopende project sprak Peter met grote namen uit de moderne architectuur, onder wie Le Corbusier, Mies van der Rohe en Frank Lloyd Wright. Het gesprek met Dudok vond plaats op 29 juli 1961 in zijn huis in Hilversum. Dudok was toen 77 jaar. De vragen waren hem tevoren toegestuurd en Dudok had zijn antwoorden grondig voorbereid. Elf vellen met handgeschreven antwoorden zijn bewaard gebleven in het archief van Het Nieuwe Instituut. Dudoks antwoorden zeggen veel over de mens en de architect, zijn inspiratiebronnen en hoe hij destijds de toekomst zag. Hieronder een integrale weergave.
Dudok (77) over de schoonheid van verhoudingen
Laat ik om te beginnen zeggen dat ik uw ideeën over deze gesprekken uitstekend vind en dat ik er graag aan wil meewerken. Ik reken erop dat u mij toestaat uw vragen vrijelijk te beantwoorden.
door Willem Marinus Dudok
Mijn naam is Willem Marinus Dudok, geboren in 1884 in Amsterdam. Ik heb een enigszins bijzondere carrière gehad. Ik ben aan de Koninklijke Militaire Academie opgeleid tot officier bij de Genie. Tijdens mijn studie voelde ik me het meest aangetrokken tot de technische aspecten: civiele techniek en architectuur. Om die reden nam ik in 1913 in de rang van kapitein ontslag en werd ik ingenieur, daarna Directeur Publieke Werken in Leiden en later in Hilversum. Daar kreeg ik ook gelegenheid om een particuliere praktijk als architect op te bouwen. Hoewel ik aanvankelijk evenveel voelde voor het ingenieurswerk, raakte ik later meer gefascineerd door het artistieke aspect, waarschijnlijk omdat ik ben opgegroeid in een artistieke omgeving en als kind al talent had voor tekenen.
Dus moest ik mezelf als architect ontwikkelen en ik herinner me dat ik, hoe jong ik ook was, een scherp oog had voor efficiënte, harmonieuze en economische constructies, en vooral voor de krachtige vormentaal in de natuur. Dat is me altijd bijgebleven en als ik door mijn tuin loop, kijk ik er nog steeds met verbazing naar. In veel opzichten heeft de natuur me het beste architectonische advies gegeven.
Inspiratiebronnen
Maar een jonge architect is natuurlijk geïnteresseerd in het werk van oudere collega’s die al een grote reputatie hebben opgebouwd. Bijvoorbeeld Berlage, wiens Beursgebouw ik heb zien bouwen, en vooral Josef Hoffmann in Wenen, de architect van het Stocletpaleis in Brussel, de artistieke grondlegger van de Wiener Werkstätte. Hij heeft niet veel gebouwd maar naar mijn mening heeft zijn werk niet de erkenning gekregen die het verdient. Ook Frank Lloyd Wright heeft me gefascineerd vanaf het moment dat zijn werk in Nederland bekend werd door publicaties van mijn vriend Wijdeveld. Maar hoewel zulke mannen een zekere invloed hebben gehad op mijn ontwikkeling, probeerde ik al snel mijn eigen weg te volgen om te worden wat een architect in mijn ogen moest zijn.
Wat is een architect? Dat brengt me bij een definitie van architectuur, een definitie die natuurlijk verband houdt met mijn architecturale filosofie, als je mijn eenvoudige overpeinzing zo wilt noemen.
Ruimte dient de mens
Architectuur is de harmonieuze organisatie van ruimtes, die mens en samenleving nodig hebben. Ruimtes die moeten voldoen aan de eisen van ons altijd afwisselende en veranderlijke leven. Hieruit volgt mijn definitie van een architect: hij is degene die deze taak op zich neemt. Maar dat is nog niet alles, en ik moet nog enkele observaties toevoegen, zoals ik destijds ook deed tijdens mijn lezingen in de VS.
Het spreekt vanzelf dat een efficiënte bouwtechniek de eerste vereiste is voor goede architectuur, maar laten we niet zo dom zijn om de twee met elkaar te verwarren en te verwachten dat een correcte bouwtechniek automatisch tot goede architectuur leidt. Als je een taal wilt leren, moet je de grammatica en zinsbouw ervan beheersen, maar die kennis maakt je nog geen schrijver of dichter.
Constructie is een middel, zo belangrijk dat zonder constructie geen architectuur mogelijk is, net zomin als poëzie denkbaar is zonder taal. Waarom alleen zichtbare constructies zouden moeten worden beschouwd als eerlijk werk – een idee dat toen ik jong was door veel architecten werd geopperd – is mij nooit duidelijk geworden. Het is noodzakelijk noch belangrijk dat constructie zichtbaar moet zijn; dat is zelfs in de natuur niet het geval. Niemand zou de doelmatigheid of de schoonheid van het menselijk lichaam ontkennen omdat het skelet niet volledig zichtbaar is: men voelt de aanwezigheid ervan, hoewel het aan het zicht onttrokken is. Ik zie ook niet in waarom men geen goede gewapend-betonconstructies zou mogen bedekken met een materiaal van fijne kleur en textuur. Ik wil dat we op een efficiënte en ongecompliceerde manier bouwen, zodat volledig recht wordt gedaan aan het karakter van het gebruikte materiaal en aan de methode van bouw. Maar uiteindelijk is het niet de constructie die essentieel is, maar de ruimte: de ruimte dient de mens.
Schoonheid in verhoudingen
Architectuur is dus iets anders, iets meer dan de kunst van het goed bouwen, van een degelijke constructie. Architectuur is ook meer dan de logische indeling van de ruimten, zoals die door een bouwprogramma wordt voorgeschreven. Want een architect heeft altijd verschillende mogelijkheden, hoezeer men ook streeft naar de meest voor de hand liggende oplossing.
Dit betekent dat het functionalisme, hoe belangrijk een aspect van de architectuur het ook mag zijn, niet de bepalende factor is. Wat zorgt ervoor dat architectuur meer is dan bouwkunde en meer dan ruimtelijke organisatie?
Naar mijn mening is het dit: net zoals de menselijke geest schoonheid ontleent aan beeld en klank in poëzie en muziek, zo erkent hij eveneens schoonheid in de verhoudingen van de ruimte in de architectuur. Bouwen wordt pas kunst wanneer het wordt gekenmerkt door mooie en harmonieuze ruimtelijke verhoudingen, die op ingenieuze wijze het karakter en de culturele betekenis van het gebouw tot uitdrukking brengen. Architecturale kunst heeft in feite één middel: verhouding, de verhouding van ruimtes en bouwmassa’s in zowel vorm als kleur. Architectuur is net zo immaterieel als elke andere kunstvorm, omdat de betekenis ervan niet in het materiële ligt, maar in de spirituele waarde, namelijk in hoe de architect erin is geslaagd een idee uit te drukken in termen van ruimtelijke verhoudingen. Dit is een waarde waardoor architectuur uitstijgt boven de grillen van de mode; een waarde die niet kan worden vervangen door slogans en modewoorden als kubisme, futurisme, functionalisme: begrippen die net zo snel opduiken en weer verdwijnen als de damesmode.
Toekomst van de architectuur
En nu over de toekomst van de architectuur. Allereerst vraagt u mij welke technische ontwikkeling de grootste verandering belooft teweeg te brengen in de manier waarop gebouwen worden gebouwd en ontworpen. Ongetwijfeld zal prefabricage zich steeds verder ontwikkelen, vooral voor de gewone woningbouw. In dit verband ben ik ook van mening dat de exacte wetenschappen, met name de chemie, tot nu toe onvoldoende aandacht hebben besteed aan de bouwtechniek. De behoefte aan efficiëntere materialen voor buitenmuren: lichter, beter bestand tegen temperatuurschommelingen en geluid: materialen die hun structuur en vooral hun kleuren behouden tegen klimatologische invloeden. Onze vliesgevels met aluminium en plaatstaal zijn slechts een begin. Het zal ongetwijfeld moeilijk zijn om materiaal te creëren dat qua uiterlijk en kleur in staat is te concurreren met onze huidige natuurlijke materialen zonder hun nadelen. Ik denk bijvoorbeeld aan prachtige emailsoorten die niet of nauwelijks verweren en die permanent het kleurenschema van het gebouw garanderen zoals bedoeld door de architect. De tempels van wit marmer in Griekenland hebben hun frisse kleur eeuwenlang behouden.
Immateriële lichtheid
Maar ook op andere vlakken kan de wetenschap invloed uitoefenen op de ontwikkeling van de architectuur. Hiervan hebben we al treffende voorbeelden gezien. Toegepaste wiskunde en onderzoek naar de sterkte van een ontworpen constructie aan de hand van modellen stellen de mens in staat zijn technische creaties voortdurend te verbeteren, zoals nu al blijkt uit de ingenieuze constructies waarvoor Nervi en Torroja zo beroemd zijn: constructies van bijna immateriële lichtheid; constructies die doen denken aan de prachtige vormen in de natuur. Zo kan de omhulling van ruimte – deze enige uitdrukkingsvorm van ruimte – licht, helder en transparant worden en kan deze wetenschappelijke bouwkunst kenmerkend zijn voor de toekomst. Hierdoor komt de ruimte volledig tot zijn recht; ik herhaal: deze prachtige techniek moet altijd worden beschouwd en ingezet ten dienste van de ruimte.
Uw volgende vraag is welke maatschappelijke ontwikkeling de grootste verandering belooft teweeg te brengen in de manier waarop gebouwen worden gebouwd en ontworpen. Ik denk dat we deze vraag vanuit een breder perspectief moeten bekijken en dat we deze niet op het gebouw moeten toepassen, maar eerder op de steden en dorpen als geheel. Want de samenleving vereist een heel andere ontwikkeling van de stedebouw, niet alleen vanwege de enorme bevolkingsgroei, maar vooral vanwege het totaal veranderde karakter van het verkeer.
Kleinere steden
In het midden van de vorige eeuw hebben de spoorwegen en de industriële ontwikkeling de miljoenensteden doen ontstaan: in die tijd was concentratie volkomen normaal. Maar letterlijk alle uitvindingen na de spoorwegen wijzen niet op concentratie, maar op decentralisatie: de auto, de telegraaf, de telefoon, de radio en de televisie creëren onderling menselijk contact over onbeperkte afstanden. Het individuele snelle verkeer: het automobilisme, heeft de grote steden die daar niet voor bedoeld waren, praktisch onbruikbaar gemaakt. Ze kunnen hun bestaansrecht nauwelijks nog rechtvaardigen, want hoewel mensen dicht bij elkaar wonen, kunnen ze elkaar nauwelijks bereiken: de steden voldoen niet langer aan hun oorspronkelijke doel. Dit bewijzen ze doordat ze steeds meer het centrum ontvluchten. De enige oplossing is een verstandige spreiding over middelgrote en kleinere steden met uitstekende onderlinge verbindingen en een gezond contact van de inwoners met het omringende platteland. Voeg hieraan toe: de architectonische toekomst ligt niet zozeer in het afzonderlijke gebouw als wel in de stad, het dorp als geheel. Dat zien we al in de grootschalige woningbouw na de laatste wereldoorlog. Nog nooit is de huisvesting van de mensen zo serieus bestudeerd als in onze tijd, zowel wat betreft de verschillende woningtypes als de groepering van de huizen: dit is zeker een winst. Maar er is meer nodig om tot een stedebouw te komen die tegelijkertijd een kunst is. Dit vereist een ideale samenwerking tussen de begaafde architect-stedebouwkundige en de architect van de afzonderlijke gebouwen: een vrijwillige ondergeschiktheid en een groot vertrouwen van de autoriteiten. Het is zeer de vraag of de toekomstige samenleving in staat zal zijn om een dergelijk cultureel niveau te bereiken, hoewel we in geheel nieuwe steden (zoals bijvoorbeeld sommige satellietsteden van Londen, Chandigarh en Brasilia) een ontwikkeling zien in de bovengenoemde richtingen. Tot op zekere hoogte bestonden er in de barok gunstiger omstandigheden voor deze kunst van het bouwen van hele stadsdelen en we genieten nog steeds van enkele zeer fraaie voorbeelden uit deze periode.
Het zou me echter te veel tijd kosten om deze ideeën voor de toekomst uit te werken. En per slot van rekening: we zijn geen profeten.
Wat er mis is
Ik kijk liever rond in het fascinerende leven van onze eigen tijd, en daarom biedt uw volgende vraag: wat er mis is met de architectuur van vandaag mij een kans. U gaat er blijkbaar van uit dat er iets mis is. Daar ben ik het met u over eens. Naar mijn mening geldt wat er mis is met de architectuur evenzeer voor alle andere kunsten: muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst, poëzie. Dit hoeft ons niet te verbazen, want in elke kunst wordt de samenleving weerspiegeld en deze samenleving ontwikkelt zich in een formidabel en alarmerend tempo. De cultuur staat niet in het middelpunt van de menselijke belangstelling: de mens besteedt niet veel tijd aan zijn natuurlijke ontwikkeling. Het lijkt wel alsof hij alles voor zoete koek slikt wat als kunst wordt gepresenteerd. Hij weet dat grote kunstenaars hun tijd altijd vooruit zijn geweest en hij is bang achter te blijven; niet “modern” te zijn als hij zijn tijd niet bijhoudt: een soort sociale meeloperij, die in Andersens beroemde sprookje: “De nieuwe kleren van de keizer” op onsterfelijke wijze is belachelijk gemaakt.
Schilderijen als gekrabbel op papier waarin men zijn penselen heeft afgeveegd; beeldhouwkunst als afval, muziek alsof er een kat in de piano is gevallen: dat alles is voor mij ontaarding.
Ik moet hier dieper op ingaan. Kunst, dat is communicatie. Dat is in ieder geval een belangrijk aspect van kunst. Een prachtige communicatie, vol betekenis, van mens tot mens. Dat wil zeggen: van de kunstenaar naar de leek. Elke kunstvorm heeft een eigen taal. Geen enkele filosofie verklaart hoe het komt dat een melodie zo ontroerend kan zijn, of dat een gebouw je kan raken. Maar dit bewijst ook dat er eeuwige waarden zijn waarvoor alle mensen ontvankelijk lijken te zijn. Waarden waaraan de kunstenaar uitdrukking kan geven. Het is zeker waar dat kunstenaars door de eeuwen heen de grenzen hebben verlegd om zich op hun eigen manier uit te drukken, maar dit alles op basis van waarden die de kunst door de eeuwen heen begrijpelijk hebben gemaakt: waarden met hun natuurlijke beperkingen. Het onbegrensde, dat is chaos, degeneratie. Beeldende kunst of beeldhouwkunst hoeft natuurlijk niet figuratief te zijn, laat staan fotografie; abstracte kunst die kan ontroeren is zeker bewonderenswaardig, maar schilderijen als gekrabbel op papier waarin men zijn penselen heeft afgeveegd; beeldhouwkunst als afval, muziek alsof er een kat in de piano is gevallen: dat alles is voor mij ontaarding. Ik spreek vrijuit, omdat ik liever door tijdgenoten als een soort absolute modernist word gezien, dan als een dwaas door het nageslacht.
Ontaarding
Ja, ik geloof dat er in onze tijd veel ontaarding is. En hoewel de architectuur nooit in dezelfde mate uit de bocht kan vliegen als de vrije kunst, omdat zij altijd aan praktische eisen moet voldoen, is er toch ook in de architectuur veel dat niets met kunst te maken heeft. Het feit dat de bouwtechniek ons onbeperkte vrijheid biedt, heeft meer dan eens aanleiding gegeven tot vormen die eerder lijken te zijn toegepast omdat ze nog nooit eerder zijn voorgekomen dan om het gebouw een beeldende uitstraling te geven. Wat ik hierboven verstond onder architectuur, het mooie en serieuze spel met ruimte, er zijn veel moderne gebouwen waarop deze uitspraak niet van toepassing is. Zo zien we kerken met reclameborden zoals op tentoonstellingsgebouwen; scholen die eruit zien als fabrieken, overheidsgebouwen als kantoren zonder een greintje waardigheid. Zelfs beroemde collega’s stellen me soms teleur als ik in hun werk nieuwe hoogstandjes verwacht die ons versteld doen staan, hoewel ik toegeef dat vooral beroemdheden een zeer sterk karakter moeten hebben om dit altijd te voorkomen. Alleen maar werken om de wereld te verbazen is niet de weg naar een mooie ontwikkeling. In ieder van ons leeft de hoop op originaliteit en dat zal altijd zo blijven.
Nieuwe vormen
Laat me dit interview afsluiten zoals ik mijn vroegere lezingen afsloot. Alleen hij is origineel die op de meest natuurlijke manier tot verbazingwekkend eenvoudige oplossingen komt die leiden tot onverwachte nieuwe vormen. Op deze manier kan het bouwen door de mensheid een bescheiden weerspiegeling worden van de onverbiddelijk praktische maar bovenal wonderbaarlijk harmonieuze schepping, die ons dagelijks wordt getoond in de natuur om ons heen.
De onderstrepingen en de alinea-indeling zijn zoals in Dudoks originele tekst, de titels tussen de alinea’s zijn aangebracht door de redactie.