De kiem van deze wijk werd al gelegd in het zogeheten Uitbreidingsplan van Dudok uit 1933, opgesteld in samenwerking met directeur Publieke Werken Jan Groote. Met dat plan wilde Dudok gehoor geven aan de oproep van de Centrale Schoonheidscommissie voor het Gooi in haar rapport uit 1925 aan Gooise gemeentes, om bij uitbreidingsplannen meer aandacht te verlenen aan het behoud van natuur. Dudok was het daar van harte mee eens: “Je kunt nog zoveel plantsoenen en parken ontwerpen, de bestaande natuur kun je nooit evenaren.”
Volgens het plan was een groei van Hilversum tot 100.000 inwoners mogelijk, met behoud van de natuur. Ten oosten van de oostelijke randweg stonden zeven straten ingetekend, in en wijzend naar de natuur, als de tanden van een weverskam. Dat is een verwijzing naar de geschiedenis van Hilversum, groot geworden door de wolindustrie.
Dudok en Magnée vulden die schets in 1954 in met rijen eengezinswoningen langs de zeven straten. In de middelste twee straten staan de woningen tegenover elkaar, gescheiden door een brede groenstrook. In de andere vijf straten staan de woningen schuin achter elkaar langs drie korte zijtakken, zodat ze vrij de natuur in kijken. Op de kop van elke straat, langs de randweg, plaatsten Dudok en Magnée een flatgebouw van drie woonlagen met zadeldak en garages in de plint.
Het hele Kamradcomplex is een gemeentelijk monument.