De Prinses Beatrixtunnel, naast het station van Hilversum, is gebouwd in de jaren 1935-1938. Dudok ontwierp de tunnel in nauwe samenwerking met de directeur Publieke Werken, ir. J.F. Groote.
Toen in 1863 een spoorlijn door Hilversum werd aangelegd, ontstond er letterlijk een scheiding tussen het oude dorp en de nieuwe uitbreidingen aan de oostzijde. Decennialang vormde het spoor een obstakel in de groeiende gemeente.
Al in 1925 maakte Dudok een plan voor drie spoorwegovergangen om het nieuwe, oostelijke deel van Hilversum te verbinden met het centrum en de rest van het dorp. Eén van die opties, het viaduct over het spoortraject Amersfoort-Amsterdam in het noorden, werd al snel gerealiseerd. Maar de Beatrixtunnel werd pas tien jaar later gegraven.
De tunnel was destijds een technisch hoogstandje. De constructie van gewapend beton was modern voor zijn tijd. Binnenin werd de tunnel grotendeels bekleed met lichte tegels, waardoor een opvallend heldere en bijna hygiënische ruimte ontstond. De brede centrale doorgang voor auto’s wordt geflankeerd door fietspaden en trottoirs, gescheiden door achttien ritmisch geplaatste, vierkante kolommen. Die strakke geometrie geeft de tunnel iets monumentaals. De bovenhoeken van de entree van de rijbanen zijn afgerond (gekoofd).
Aan weerszijden van de tunnel bevinden zich plaquettes met teksten die verwijzen naar de historische betekenis van de verbinding. Eén ervan luidt: “1873 door snelverkeer gescheiden, 1938 voor ’t snelverkeer vereenigd.” Daarmee werd de tunnel niet alleen een verkeerskundige oplossing, maar ook een architectonisch statement over een stad die weer werd samengebracht.
In de loop der jaren is de Beatrixtunnel regelmatig vol water gestroomd, na hevige regenbuien.