Badhuis The Big Pit, Blaenavon

Badhuis The Big Pit, Blaenavon, dudok.org

Resten badhuis Chatterly Whitfield Colliery.

Badhuis Chatterly Whitfield Colliery, dudok.org

The Big Pit, Blaenavon

Badhuis The Big Pit, Blaenavon, dudok.org

Badhuis Gresford Colliery 1939

Gresford, National Archives

Badhuis kolenmijn New Sharlston

New Sharlston, National Archives

Badhuis kolenmijn Manor Powis

Manor Powis, National Archives

Badhuis Manvers Main Colliery

Manvers Main, National Archives

    Badhuizen bij kolenmijnen (1921-1952)

    “Go Dudok!”, zei architect J.A. Dempster eind jaren 20 tegen een groep jonge architecten van het Britse Mijnwerkers Welzijnscomité. Dat comité stond voor een enorme opgave: de bouw van honderden badhuizen bij kolenmijnen in Groot-Brittannië. Nieuwe wetgeving moest de erbarmelijke levensomstandigheden van tienduizenden mijnwerkers verbeteren.

    Tot die tijd kwamen mijnwerkers zwart van het kolenstof thuis. Wassen gebeurde in een teil met heet water, die hun vrouwen moesten klaarzetten. Ook de vuile werkkleren moesten thuis worden gewassen en gedroogd, waarna het huis opnieuw van stof moest worden ontdaan. Dat kolenstof, gecombineerd met zwaar werk onder de grond, leidde tot ernstige gezondheidsproblemen. Al sinds 1890 werd daarom gepleit voor badhuizen, naar voorbeelden in België, Frankrijk en Duitsland.

    Na onderzoek door een regeringscommissie kwam er in 1919 een heffing van één penny per ton gemijnde kolen om het welzijn van mijnwerkers te verbeteren. Later volgde een extra heffing, speciaal voor badhuizen. Het Mijnwerkers Welzijnscomité kreeg de uitvoering in handen.

    Voor een groep jonge, vaak nog onbekende architecten was dit een zeldzame kans: zij mochten gebouwen ontwerpen die dagelijks verschil maakten in het leven van duizenden mensen. Aanvankelijk waren er weinig richtlijnen voor stijl of indeling. Dempster bracht daarin richting met zijn aanmoediging: “Go Dudok!”

    Herkenbare huisstijl

    Dudok was in Groot-Brittannië zeer geliefd. Zijn baksteenmodernisme gold als modern en functioneel, maar ook als beschaafd alternatief voor het strengere, betonnen modernisme van het Europese vasteland. Zijn spel van horizontale en verticale volumes, platte daken, asymmetrie, torens, baksteen en veel glas bleek uitstekend toepasbaar op de zogenoemde pithead baths.

    Rond 1930 ontstond zo een herkenbare huisstijl. Veel badhuizen waren L-vormig en bestonden uit drie zones: een schone ruimte met kasten voor gewone kleding, een grote gezamenlijke doucheruimte en een verwarmde, geventileerde ruimte voor werkkleren. Vaak kwamen daar nog een kantine en een kleine medische post bij. De strakke, lichte architectuur straalde precies uit waar deze gebouwen voor bedoeld waren: reinheid, gezondheid en waardigheid.

    Geen beschermde status

    Tussen 1921 en 1952 verrezen in Groot-Brittannië meer dan vierhonderd van deze badhuizen. De meeste mijnen zijn inmiddels gesloten en gesloopt. Enkele pithead baths bestaan nog, doorgaans zonder beschermde status. Ten onrechte misschien, niet vanwege hun bouwkundige waarde, maar wel om de enorme betekenis die ze hebben gehad voor het welzijn van duizenden mijnwerkersfamilies. 

    Bronnen:

    Laat een reactie achter

    © 2026 • dudok.org • Privacybeleid
    website: sbddesign.nl
    Translate