Gerelateerde artikelen
Gerelateerde artikelen
In het begin van de vorige eeuw was het Britse Rijk groter en machtiger dan ooit, met een bevolking van 450 miljoen en een kwart van al het land op aarde. Industrie en handel floreerden en een deel van de welvaart die daaruit voortvloeide werd gestold in indrukwekkende victoriaanse en later edwardiaanse bouwwerken, stijlen waarin vooral werd geciteerd uit de bouwkunst van het verleden.
door Peter Veenendaal
Vanuit het vasteland van Europa spoelde in diezelfde tijd een nieuwe bouwstijl aan, gebaseerd op nieuwe inzichten en nieuwe bouwmethoden: het modernisme. De vorm werd ondergeschikt aan de functie. Wat weggelaten kon worden, verdween. Het Nieuwe Bouwen en de Internationale Stijl manifesteerden zich in sobere, geometrische en meestal witte basisvormen van gewapend beton, glas en staal, met platte daken. Voortrekkers in Europa waren architecten als Ludwig Mies van der Rohe, Le Corbusier en Walter Gropius.
In Groot-Brittannië kreeg dat modernisme maar langzaam en beperkt voet aan de grond. Net als in Nederland was daar een sterke traditie van baksteenbouw. Het sobere, radicale modernisme was een brug te ver voor de meeste Britse architecten.
Het is vooral aan secretaris Frank Yerbury en directeur Howard Robertson van de Architectural Association School of Architecture te danken dat het werk van Dudok in Groot-Brittannië aandacht kreeg. In de jaren 20 en 30 verrichtten ze tomeloos zendingswerk met tientallen publicaties in Architectural Review, waarin de loftrompet werd gestoken over de werken van Dudok. Die werden beschouwd als bakstenen alternatief voor het kale en strakke idioom van de pure modernisten, waarin naast functionaliteit en harmonie met de omgeving ook schoonheid een belangrijke rol speelt. Zoals Dudok zelf in 1934 zei tijdens een lezing in Engeland: “Het zal u misschien verbazen dat ik, als modern architect, dingen als sierlijke bogen en rieten daken gebruik. Maar ik doe dat omdat ik ervan houd.”
Het klonk zijn Britse collega’s als muziek in de oren. Architect en criticus Robert Furneaux Jordan schreef daarover in 1954 in Architectural Review: “Voor Engelse architecten die modern wilden zijn maar niet goed wisten hoe, was Dudok – het toepassen van de oppervlakkigheden van het modernisme op traditionele bakstenen constructies – een zegen.” Bauhaus en Le Corbusier werden volgens Furnaux Jordan alleen gewaardeerd door een avantgardistische elite. “In Engeland realiseerde men zich destijds niet dat de Moderne Beweging een structurele, en niet alleen een stilistische revolutie was. Voor velen, opgegroeid in de Britse traditie, waren Dudoks horizontale ramen, sobere massa’s en platte daken daarom al genoeg bewijs van moderne architectuur.”
Midden jaren 30 was Dudoks populariteit in Groot-Brittannië enorm. Zijn werk veroorzaakte “een merkwaardige opwinding onder Engelse architecten”, schreef Furnaux Jordan twintig jaar later. Het Royal Institute of British Architects bekroonde de Hilversumse bouwmeester in 1935 met de Royal Gold Medal, zijn hoogste onderscheiding. Voorzitter Sir Giles Gilbert Scott hield een gloedvol betoog waarin hij Dudok prees en zich afzette tegen de ‘extremisten’ van de moderne beweging. “Hij belichaamt in zijn werk een menselijke kwaliteit die we allemaal waarderen, ook al is het misschien mode onder sommige extremisten om te proberen deze kwaliteit uit de kunst en zelfs uit het leven te bannen. Noem het gevoel, poëzie, romantiek, wat u wilt. (…) Het werk van de heer Dudok laat zien wat er met volledige eenvoud kan worden bereikt. Het is geen gemakkelijke taak: alles moet precies goed zijn. Het kan niet met succes worden uitgevoerd door de middelmatige beoefenaar. Het vraagt om een kunstenaar, zoals we die hier vanavond mogen eren.“
Een andere vooraanstaande architect, Sir Percy Thomas, wees erop dat Dudok inmiddels zoveel navolging had gekregen in Groot-Brittannië dat er een nieuwe uitdrukking was ontstaan: dudoky architectuur. En juist door die massale navolging ging het vaak behoorlijk mis, zo argumenteerde Furneaux Jordan twee decennia later. Volgens hem was Dudok “een eclecticus van een hogere orde”, die zijn verschillende inspiratiebronnen ineen kon vlechten tot “een artistieke eenheid die hem eigen was”. Maar veel kopiisten konden dat niet, aldus Furneaux Jordan: “Helaas is niet elke eclecticus een Dudok, met vreselijke gevolgen. Die clichés… de bakstenen vin, de halfronde traptoren, het glazen tegeltableau, de plaat-op-de-bal. Het zijn clichés, geen onderdelen van een viriele stijl. Want als de meester er eenmaal klaar mee was waren ze, in andere handen, als valse valuta.”
De criticus noemde het bureau Burnet, Tait & Lorne als een van de weinige die er wél in zijn geslaagd om op waardige wijze in de stijl van Dudok te bouwen. Zij zijn verantwoordelijk voor een respectabel oeuvre aan dudoky architectuur, van Schotland tot Londen. De Curzon Cinema, bijvoorbeeld, is vintage Dudok. Van dit helaas gesloopte werk gaat de anekdote rond dat Dudok tijdens een bezoek aan Londen in 1934 een uitnodiging afsloeg, omdat hij “geen zin had om naar van zijn eigen werk te kijken”. Ook het Royal Masonic Hospital in Hammersmith en de Burlington meisjesschool in Fulham zijn fraaie werken van geïnspireerde én getalenteerde vakgenoten.
Maar er waren er meer. Het duo Curtis en Burchett ontwierp in de jaren 30 en 40 een enorm aantal scholen, klinieken, bibliotheken en andere openbare gebouwen in dienst van het bestuur van het graafschap Middlesex. Niet omdat ze de stijl van Dudok zo bewonderden, maar omdat het een relatief goedkope en moderne oplossing bood in tijden van forse bezuinigingen. De fraaie raadhuizen van de Londense deelgemeenten Greenwich en Hornsey, respectievelijk ontworpen door Clifford Culpin en Reginald Uren, waren afgeleiden van het origineel in Hilversum. De beroemde architect Charles Henry Holden ontwierp acht nieuwe metrostations voor de noordelijke uitbreiding van de Piccadilly Line in de vroege jaren 30. Ook Holden liet zich tijdens een dienstreis naar Nederland inspireren door Dudok. De Royal Philharmonic Hall in Liverpool en de fabriek van Pilkington’s Glass in het nabijgelegen St. Helens zijn scheppingen van James Rowse, maar eveneens duidelijk herleidbaar naar het werk van Dudok. En wat te denken van de 400 (!) badhuizen voor mijnwerkers die tussen 1920 en 1950 werden gebouwd bij kolenmijnen in het hele land. Allemaal in de stijl van Dudok.
De erkenning van zijn Britse vakbroeders zal de Hilversumse bouwmeester ongetwijfeld goed hebben gedaan. Hij was ijdel genoeg. Maar de grootschalige navolging die hem ten deel viel beviel hem waarschijnlijk minder. Ook al is het een compliment als anderen dudoky bouwen, de gretige Dudok had natuurlijk liever zelf een oeuvre op Britse bodem nagelaten.
Gerelateerde artikelen